fragment uit ULTRA opkomst en ondergang van de ultramodernen,
een unieke Nederlandse muziekstroming (1978-1983) door Harold Schellinx
>>> read hars: >>>


Peter Mertens speelde halverwege de jaren zeventig als langharige muzikant in de Utrechtse straten, in overall of catsuit, op een akoestische gitaar en een mondharmonica, samen met Lambert Wouda, die de dwarsfluit bespeelde. De twee jonge vrienden werden daarbij door de arm der wet herhaaldelijk gesommeerd om op te rotten. Pogingen om op het stadhuis aan het loket, maar ook via een brief aan de Utrechtse gemeenteraad, een keurige vergunning voor hun straatrumoer te verkrijgen, liepen op niets uit. ‘Zakkenvullers gonzen om je heen in de binnenstad en in Hoog Catharijne,’ schreef het Utrechts Nieuwsblad erover, ‘vreemd uitgedoste mannen zegenen je met de ene hand, terwijl ze met de andere reeds naar je portemonnee tasten. Dat mag. In de meeste gevallen hebben zij even een vergunning gehaald. Maar straatmuzikanten worden in Utrecht met kracht geweerd.’ Protesten noch pers mochten baten; de ‘Queer Street Singing Squadins’ hebben hun vergunning nooit gekregen.

‘De jaren daarvoor ging ik vaak op zomerkamp. Eigenlijk waren dat cabaretkampen,’ vertelt Peter, ‘maar in 1972 werd het er onder invloed van Woodstock enzovoort een heel hippiegedoe, met hoofdbandjes, dwarsfluiten, blokfluiten, belletjes, bongo’s en gitaren. Allemaal erg christelijk ook, want die kampen werden georganiseerd door de Nederlandse Christen Studenten Vereniging. Een heleboel van het Ultra van een paar jaar later komt op een of andere manier uit dat christenhondensfeertje, denk ik. Bij Martin Bril († 2009) thuis waren ze ook allemaal streng gereformeerd, en de Van Middendorps kwamen uit Barneveld, ook zo’n gereformeerd gat. Die strenge, strakke ritmeboxtracks van de Minny Pops zijn natuurlijk ergens gewoon postgereformeerde orgeldeuntjes. Maar op die cabaretkampen was het nog Crosby, Stills, Nash, dat soort dingen. Leonard Cohen was er de grote man. Maar we maakten tussendoor toch ook veel eigen nummers en ik kwam daar Evert Rutgers tegen.’

Rond 1976 trok Peter van Utrecht naar Amsterdam. Hij vond er Evert terug, die in de hoofdstad aan de rock was geraakt. Samen begonnen ze de Jan van de Grond Groep, een Nederlandstalig punky popensemble. ‘Het was toch door die kampen dat we het idee kregen om Nederlandstalige rock te gaan doen. We kwamen daar ongeveer op hetzelfde moment mee als een band als Doe Maar. Niemand bij Jan van de Grond heette Jan van de Grond. Jan was gewoon fijn plat en volks, en “van de grond” was mijn vertaling van rock.’

De Jan van de Grond Groep debuteerde in 1979 op Uitholling Overdwars, een verzamelelpee met verse Nederlandstalige punk-/popmuziek, uitgebracht door de Stichting Popmuziek Nederland. ‘Lang leve de Nedertaal Rock!’ schreef Neerlands Hoop Bram Vermeulen in die bange dagen op de achterkant. Naast eerstelingen van bands als Ivy Green, Toontje Lager en Doe Maar was op die plaat ook Hondepoep te vinden, het plaatdebuut van het Nuenense Nasmaak, dat later Engels tot haar voertaal maakte, een a’tje liet vallen en zich omdoopte tot Nasmak. Toen Uitholling Overdwars verscheen, had Peter de Jan van de Grond Groep alweer de rug toegekeerd.

Of hij was eruit gedonderd. In elk geval zat hij er niet meer in. ‘De Jan van de Grond Groep was een moeilijke band, met een rare samenstelling: twee theologiestudenten, twee Rietveldstudenten en Ed Boter, de drummer, die in de slagerij van Albert Heijn de lopende band bediende. Die wilde gewoon Mott the Hoople doen, een soort Gary Glitter-rock. Eigenlijk wilde ik dat ook wel. Of Motörhead. Maar Ed had ook zo’n druipsnor en een dubbele bassdrum, terwijl we nooit een busje hadden waar die dubbele bass in paste. Het was de bedoeling dat ik op de gitaar de solo’s zou spelen, maar dat kon ik niet. Ik kende zo ongeveer twee Chuck Berry-dingetjes, maar daar hield het mee op. Ik moest dus gaan oefenen om bij de akkoordjes van die jongens een zinvolle solo te bedenken. Die kon ik niet à la minute spelen. De violist kon dat wel, maar dat klonk dan weer altijd hetzelfde.

En ook praktisch: zij hadden op een gegeven ogenblik gewoon grotere versterkers. Zo stonden we een keer op te treden op het Waterlooplein, en dan riepen ze: “Peter, nou jij, solo!” En ik draaide dan mijn versterker helemaal open, maar ik trok het niet. Die gasten stonden gewoon harder. Ik heb daarna gelijk een grotere versterker gekocht, maar ja…’

Peter woonde op een zolderkamertje aan de Kennedylaan, dat hij streng in zwart en wit had geschilderd. ‘De helft bij de ramen was wit, daar stonden een witte tafel en een witte stoel. En ook de gordijnen waren wit. De deur was zwart, en ik had het hoekje waar mijn bed stond helemaal zwart geschilderd, met zwarte lakens. Gedeeltelijk was dat een grap, maar het was ook praktisch, voor het licht. Verder was er alleen nog een lage wasbak, die ik gebruikte om in te pissen. En omdat-ie zo laag was, konden ook mijn vriendinnen erop pissen, dat was het handige.

Als ik dan eens een weekendje weg was, spoelde de hospita er een paar liter chloor door, omdat wij die bak de hele tijd volpisten. Maar dat zeiden we natuurlijk niet, want eigenlijk moesten we bij haar pissen.’

Ergens onderweg van de Jan van de Grond Groep naar de Minny Pops liet Mertens zijn lange zwarte krullen knippen en verruilde hij overall en catsuit voor tweedehands Oost-Duitse pakken. ‘Dat was het newwave-uniform: korte haren en Oost-Duitse pakken. Ik had van die vrij slechte tweedehands Oost-Duitse pakken. Ik ging toen natuurlijk zo’n pak dragen omdat ik dacht dat je daarmee iets van anticultuur uitstraalde, maar al met al droeg mijn vader natuurlijk óók een pak, hoewel niet Oost-Duits en niet tweedehands.

Maar dat uiterlijke interesseerde me, en is me ook altijd blijven interesseren. De Minny Pops bijvoorbeeld waren natuurlijk vooral ook heel erg een act.’

‘Toen ik nog in Utrecht woonde, ging mijn moeder op woensdagmiddagen vaak naar veilingen. Ik ging dan met haar mee en kocht er voor weinig geld muziekinstrumenten. Zo kwam ik aan een gitaar, een banjo, een mandoline, een citer en meer van die dingen. Als gadgets, maar vooral omdat ik een geluidsfreak was. Ik was niet geïnteresseerd in het technisch beheersen van die instrumenten. Ik wilde horen hoe ze klonken. Muziekinstrumenten hebben mij altijd in de eerste plaats geïnteresseerd vanwege hun klank. Ik heb me nooit verdiept in virtuoos Chopin spelen, of zelfs maar Beatles-akkoordjes uit mijn hoofd leren. Het draaide om de klank. Hoe klinkt iets? Dat is voor mij één rechte lijn, van toen naar nu.’

‘Op de Rietveld deed ik met video veel samen met Rob van Middendorp. We zaten in hetzelfde jaar en waren grafisch ontwerpers die video hip vonden. We zaten dan ook te klooien met camera’s en dingen als het scheef trekken van typografie door de band stil te zetten.

Ik heb nog een logootje van de Minny Pops dat Rob en ik hebben vormgegeven door de videoband op pauze te zetten, waardoor het dan zo wegtrekt in het beeld. En Rob van Middendorp was natuurlijk de grote broer van Wally van Middendorp. Van Rob hoorde ik dat zijn broer allerlei kantoorbaantjes had gedaan, of nog deed; dat Wally een kantoorman was. Op een gegeven ogenblik woonde ook hij min of meer op een kantoor, in een soort kast. Om negen uur begonnen ze daar natuurlijk allemaal te werken, en Wally stapte dan bij wijze van spreken van zijn matrasje de kast uit, liep naar de plee, gooide een klets water in zijn gezicht en ging aan de slag.’

‘Op een goede dag, dat zal eind 1978 zijn geweest, bracht Rob me naar zijn broertje. Want ik was een gitarist. Ik was Jan van de Grond. En Wally wilde een nieuwe band. Hij was de Tits, zei Rob, en nu wil hij een nieuwe band. Iedereen woonde toen in Amsterdam in de oude binnenstad, maar Rob en Wally deelden een nieuwbouwflatje in Slotermeer, aan de Burgemeester Cramergracht. Het was er behoorlijk hip, heel neon al, met zilverfolie aan de muren en tl-balken. En daar zijn toen de Minny Pops ontstaan. We oefenden in Slotermeer aan de keukentafel, bij wijze van spreken. En het draaide dus om die ritmebox die Wally had gekocht. Iets muzikaals had hij er nog niet mee; hij zat te wachten tot er iemand op de knoppen kwam drukken. En dat waren Frans Hagenaars en ik, die ik verder trouwens helemaal niet kende. Wij lieten die ritmebox lopen, Wally schreef daar een tekst voor en dan maakten we een nummertje. Die ritmebox kon niet zoveel bijzonders, maar door er een luciferstokje tussen te proppen kon je wel twee knoppen tegelijk indrukken, Wals en Rock 1 bijvoorbeeld. Dat gaf dan net weer een andere beat, wat op de eerste single al te horen is. Wally had echt geen verstand van muziek. Die drukte gewoon die knoppen in, het kon hem allemaal niks schelen. Hij kon die ritmebox ook amper weer terugkrijgen in het standje dat we een tijdje daarvoor hadden gebruikt. Rob van Middendorp maakte daarom polaroids.

Rob was de Warhol die polaroids maakte van hoe de ritmebox stond ingesteld. Dan konden we dat later op de foto terugzien.’

‘We moesten natuurlijk als band ook een naam hebben. Ik keek or die ritmebox, en daar stond Mini Pops. Dus ik zei: “Mini Pops!” Maar dat vonden de anderen wat te mini, en daarom hebben we uiteindelijk voor een meisjesnaam gekozen: Minny. Minny Pops. Als in Minnie Mouse.’

Door zijn avontuur met de Tits had Wally van Middendorp de smaak van het plaatjes uitbrengen te pakken. Hij ging ermee door. Na Daddy is my pusher verschenen in 1978 bij Plurex nog twee singles van Nederlandse punkbands die, in tegenstelling tot de Tits, als band ook live heel actief waren: Plastic en I Am van de Molesters uit Den Haag, en Don’t Hide Your Hate, met aan de andere kant Nothing for Me en Sex, van The Filth, strakke en aanstekelijke hogesnelheidspunk uit Amsterdam-Noord.

‘Ik zag Wally in die tijd een keer bij zo’n punkconcert in Noord,’ vertelt Peter Mertens, ‘een heel lange jongen, als punk verkleed, met een zwarte broek en een ketting tussen zijn benen. Hij werd toen op een gegeven moment achternagezeten door van die motorjongens met leren jacks. Wally was geen slimme punk, want met die ketting tussen zijn benen kon hij niet hard genoeg lopen. Dat was in zo’n situatie duidelijk niet de goede klederdracht.’